Skip to content
LinguaCommons
← Vocabulary

German — top 44 words

High-frequency vocabulary for Dutch speakers. Reveal each card, then rate your recall — the schedule adapts (SM-2) and is stored on your device.

⬇ Download this 44-word deck: CSV · TSV · Anki · .apkg — import into Anki or any SRS app.
Loading deck…

Full word list

Hover or tap a highlighted term to see its Dutch meaning and copy it. With a keyboard, Tab to the first term and use the arrow keys; source status is shown in the popup.

#GermanDutch
1maken (k→ch)
2ik (k→ch)
3het water (t→ss)
4eten (t→ss)
5dat (t→s)
6tien (t→z)
7de appel (pp→pf)
8het dorp (p→f)
9het huis
10het boek
11drinken
12goed
13het meer — NIET de zee!
14de zee — NIET het meer!
15opbellen (bellen = blaffen!)
16blaffen — valse vriend van 'bellen'
17wie? (Duits 'wie' = hoe!)
18hoe? — valse vriend
19rijden — niet 'varen'
20de tuin (Zaun = hek!)
21het hek — valse vriend van 'tuin'
22de tafel (Tafel = schoolbord!)
23het (school)bord — valse vriend
24breken – brak – gebroken (sterk, klasse 4)
25geven – gaf – gegeven (sterk, klasse 5)
26dragen – droeg – gedragen (sterk, klasse 6)
27maken – maakte – gemaakt (zwak)
28de krant — -ung is altijd vrouwelijk
29het meisje — -chen is altijd onzijdig
30de man (nominatief)
31de man (accusatief: ich sehe den Mann)
32de man (datief: ich gebe dem Mann…)
33van de man (genitief)
34de vrouw
35het kind
36met de kinderen (datief meervoud + -n)
37mij (accusatief / datief — NL heeft alleen 'me')
38jou (accusatief / datief — NL alleen 'je')
39het hondenhok (samenstelling)
40het boomhuis (samenstelling)
41goedemorgen — let op de Duitse aanhalingstekens
42de aanvoegende wijs — drager van de indirecte rede
43de onvoltooid verleden tijd (schrijftaal-verteltijd)
44wordt SS bij hoofdletters: Maßband → MASSBAND