#separator:tab #html:false #columns:Front Back machen maken (k→ch) ich ik (k→ch) das Wasser het water (t→ss) essen eten (t→ss) das dat (t→s) zehn tien (t→z) der Apfel de appel (pp→pf) das Dorf het dorp (p→f) das Haus het huis das Buch het boek trinken drinken gut goed der See het meer — NIET de zee! das Meer de zee — NIET het meer! anrufen opbellen (bellen = blaffen!) bellen blaffen — valse vriend van 'bellen' wer? wie? (Duits 'wie' = hoe!) wie? hoe? — valse vriend fahren rijden — niet 'varen' der Garten de tuin (Zaun = hek!) der Zaun het hek — valse vriend van 'tuin' der Tisch de tafel (Tafel = schoolbord!) die Tafel het (school)bord — valse vriend brechen – brach – gebrochen breken – brak – gebroken (sterk, klasse 4) geben – gab – gegeben geven – gaf – gegeven (sterk, klasse 5) tragen – trug – getragen dragen – droeg – gedragen (sterk, klasse 6) machen – machte – gemacht maken – maakte – gemaakt (zwak) die Zeitung de krant — -ung is altijd vrouwelijk das Mädchen het meisje — -chen is altijd onzijdig der Mann de man (nominatief) den Mann de man (accusatief: ich sehe den Mann) dem Mann de man (datief: ich gebe dem Mann…) des Mannes van de man (genitief) die Frau de vrouw das Kind het kind mit den Kindern met de kinderen (datief meervoud + -n) mich / mir mij (accusatief / datief — NL heeft alleen 'me') dich / dir jou (accusatief / datief — NL alleen 'je') die Hundehütte het hondenhok (samenstelling) das Baumhaus het boomhuis (samenstelling) „Guten Morgen!“ goedemorgen — let op de Duitse aanhalingstekens der Konjunktiv de aanvoegende wijs — drager van de indirecte rede das Präteritum de onvoltooid verleden tijd (schrijftaal-verteltijd) das ß (scharfes S) wordt SS bij hoofdletters: Maßband → MASSBAND